Secundair onderwijs.
Eerste
graad B-stroom:
Ontwikkelingsdoelen technologische opvoeding
1 Ontwikkelingsdoelen voor alle verkenningsgebieden |
||
|
|
|
De leerlingen |
|
1 |
|
kunnen de nodige inzichten verwerven, algoritmen (een logisch stappenplan) lezen en handelingen uitvoeren die noodzakelijk zijn in de voorbereidingsfase van de toepassing. |
|
2 |
|
kunnen symbolen lezen, die rechtstreeks in verband staan met het gekozen verkenningsgebied. |
|
3 |
|
kunnen eenvoudige tekeningen lezen. |
|
4 |
|
meten binnen een voor de toepassing noodzakelijke tolerantie. |
|
5 |
|
verwerken de grondstoffen juist en bewerken de materialen op een aangepaste wijze. Zij kennen de herkenningspunten, de benamingen en de voornaamste eigenschappen ervan. |
|
6 |
|
kunnen bij de opgelegde oefeningen juist, veilig en volgens gepaste regels omgaan met gereedschappen, toestellen of apparaten. Zij kennen ook de juiste benaming, enkele mogelijkheden en beperkingen ervan. |
|
7 |
|
kunnen onder begeleiding een opdracht voltooien en de kwaliteit controleren en evalueren. |
|
8 |
|
kunnen fouten of gebreken die ze gemaakt hebben herkennen, opzoeken en zo mogelijk herstellen. |
|
9 |
|
kunnen de stappen in de aangeleerde werkvolgorde toelichten. |
|
10 |
|
monteren (demonteren) of construeren of voegen de verschillende delen samen, herkennen de samenhang, benoemen de delen en voeren het geheel precies uit. |
|
11 |
|
kunnen duidelijk maken waar de aangeleerde technieken verder kunnen worden toegepast, welke verdere opleidingsmogelijkheden kunnen worden gevolgd en in welke beroepen de aangeleerde vaardigheden van belang zijn. |
|
12 |
|
handelen volgens veiligheids-, hygiënische en milieubewuste normen. |
|
||
|
|
|
De ontwikkelingsdoelen per verkenningsgebied worden
niet uitgeschreven in een lijst doelstellingen, maar wel in tabelvorm. Op
die wijze wordt tegemoet gekomen aan de samenhang en het transferkarakter
van de vooropgestelde ontwikkelingsdoelen. |
|
Verken- |
Symbolen |
Lezen in verband met de toepassin- |
Meet- en afteken- |
Grondstoffen, materialen |
Gereedschap- |
Toepassings- |
|
Eenvoudig computer- |
symbolen eigen aan het gebruikte programma |
werkvolgorde |
|
papier |
programma's in te lezen, gegevens in te voeren en te verwerken, te printen |
kantoorbedien- |
|
Verzorging |
vervaldata (medicatie), onderhouds- |
gebruiksaan- |
thermometer, weegschaal |
verzorgings- en onderhouds- |
zichzelf, hun kleding, hun schoeisel, hun woning te verzorgen |
kinderverzor- |
|
Voeding |
tijd, gewicht, inhoud |
eenvoudig recept, bereidingswijze op verpakkingen, eenvoudige maaltijdschijf |
keukenweeg- |
brood, groenten, melk, bloem, eieren, fruit |
kloppen, mengen, roeren, snijden, koken, bakken |
kok, bakker, beenhouwer, kelner |
|
Bouw |
lengte, oppervlakte, inhoud |
3-aanzichten |
vouwmeter, rolmeter, waterpas, winkelhaak, schietlood |
bakstenen en tegels cf. hun miniatuuruit- |
mengen, samenvoegen, construeren |
metselaar, ijzervlechter, betonwerker, grondwerker, bekister, stukadoor, vloerder, tegelzetter, voeger |
|
Elektriciteit |
stroombron, geleider, lamp, schakelaar, aarding |
schema van een zeer eenvoudige stroomkring |
rolmeter, meetlat |
batterij, draden en snoeren, lampje, schakelaar,
aardings- |
ontmantelen, oogjes maken, vertinnen, solderen, schroeven |
elektricien, onderhouds- |
|
Hout |
|
perspectief |
rolmeter of vouwmeter, meetlat, winkelhaak |
Massief hout |
zagen, nagelen, schuren, boren, lijmen, schroeven |
timmerman, dakwerker, schrijnwerker, meubelmaker |
|
Metaal |
|
perspectief, |
rolmeter, meetlat, winkelhaak, puntslag, kraspen |
zachtstaal, koper of messing, aluminium, tinsoldeer |
zagen, hameren, snijden, boren, solderen, knippen, plooien |
plaatbewerker, draaier, frezer, lasser, monteur, mechanicien, installateur centrale verwarming en sanitair |
|
Kunststof- |
|
perspectief, |
kraspen, meetlat, sjabloon |
thermo- |
zagen, boren, plooien |
kunststofver- |
|
Schilder- en grafische technie- |
veiligheids- |
gebruiksaan- |
|
verven, ontvettings- |
reinigen, verven of schilderen, drukken |
drukker, schilder, behanger |
|
Textiel |
symbolen op onderhouds- |
zeer eenvoudig patroon |
lintmeter |
vezelsoorten, stoffen en draden |
naaien, vlechten, knopen, weven |
naaister, kleermaker, stoffeerder, wever |
|
Tuin- |
symbolen in verband met de hoeveelheid zonlicht, tijdstippen voor zaaien, bloeien en oogsten die vermeld staan op de verpakkingen |
zaai- en plantvoor- |
meter |
teelaarde, zaden, plantgoed |
zaaien, planten, verspenen, bloemschikken, verzorgen van bloemen of planten |
tuinbouwer, landbouwer, bloemist, fruitteler, boomkweker |
Overheid en samenleving doen geregeld een beroep op het onderwijs om maatschappelijke verschijnselen en problemen aan de orde te stellen. Dat geldt niet alleen voor België maar voor de meeste Europese landen.
Sinds jaren vragen maatschappelijke organisaties en belangengroepen de aandacht van de school voor consumentenopvoeding, gezondheidsopvoeding, milieu-educatie, verkeersopvoeding, vrijetijdsopvoeding, mundiale en staatsburgerlijke opvoeding, leren leren, enz. De druk op de scholen om dergelijke thema's in het curriculum op te nemen is dan ook groot.
Het belang van deze onderwerpen kan niet worden ontkend, het gaat hier stuk voor stuk om waardevolle inhouden en vormingscomponenten die op één of andere manier aan jonge mensen moeten worden meegegeven. De vraag is echter of dat allemaal op school moet gebeuren. Er zijn ook nog andere opvoedingsmilieus waar deze onderwerpen aan bod kunnen komen.
Dat neemt niet weg dat ook op school een aantal van deze thema's op een meer gestructureerde wijze behandeld worden. Zo kan de school een bredere invulling geven aan de beoogde basisvorming van de leerlingen.
Bij het maken van een keuze in de onderwerpen die de school aanbiedt, houdt men het best rekening met de wensen van de overheid, met internationale ontwikkelingen, met maatschappelijke verwachtingen en met redzaamheidsaspecten om als burger in een complexe maatschappij te functioneren. Hierdoor beperkt men het aantal thema's en vermijdt men overbevraging van de scholen. Scholen weten nu precies wat hun bijdrage is in het totaal van de maatschappelijke eisen.
Op basis van de hierboven genoemde criteria worden voor de volgende thema's vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen geformuleerd:
Deze vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen zorgen voor een soort vangnet voor belangrijke doelstellingen die niet of nauwelijks in de vakken aan bod komen. In het secundair onderwijs is er geen enkel leervak dat alle aspecten van dergelijke onderwerpen volledig bestrijkt. Een vakoverschrijdende benadering is dus noodzakelijk.
Vakoverschrijdend kan in twee betekenissen worden gebruikt. Ten eerste verwijzen vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen naar competenties die niet tot de inhoud van één of meerdere vakken behoren, maar die er wel in kunnen worden aangeleerd, geoefend en toegepast, zoals de ontwikkelingsdoelen leren leren en sociale vaardigheden.
Ten tweede moeten bepaalde vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen ook worden gezien als een aanvulling op de vakontwikkelingsdoelen. Ze laten toe om meer samenhang tussen de vakken te realiseren en verbanden tussen de vakken te leggen.
De vakoverschrijdende ontwikkelingdsdoelen zijn in belangrijke mate gericht op het ontwikkelen van het verantwoordelijkheidsgevoel. Het gaat hier dikwijls om doelstellingen waarvoor de hele school verantwoordelijk is en waarvoor ze een voorbeeldfunctie vervult ten overstaan van de leerlingen.
I
Leren leren
1 Het domein van de uitvoering |
||
|
|
|
De leerlingen kunnen |
|
1 |
|
losse gegevens ordenen en inprenten door gepast gebruik te maken van mnemotechnische middeltjes. |
|
2 |
|
zich in goed gestructureerde samenhangende informatie oriënteren door het aanwenden van vormkenmerken: titels, subtitels, afbeeldingen en tekstmarkeringen. |
|
3 |
|
goed gestructureerde samenhangende informatie inhoudelijk begrijpen en analyseren door de betekenis van woorden, begrippen en zinnen, waar mogelijk, uit de context af te leiden. |
|
4 |
|
bij het instuderen van een behandelde leerinhoud de noodzakelijke voorkennis opnieuw opzoeken in leerboek, werkboek of notities. |
|
5 |
|
bij het leren van samenhangende informatie verdiepend werken: |
|
|
|
|
|
6 |
|
bij het oplossen van een probleem, onder begeleiding: |
|
|
|
|
|
7 |
|
informatiebronnen onder begeleiding raadplegen: |
|
|
|
|
|
||
|
|
|
De leerlingen kunnen |
|
8 |
|
hun werktijd plannen en het nodige materiaal selecteren en ordenen. |
|
9 |
|
zichzelf sturen met behulp van een antwoordblad, een correctiesleutel of de aanwijzingen van de leraar. |
|
10 |
|
onder begeleiding de eigen werkwijze vergelijken met die van anderen, aangeven waarom iets fout gegaan is en hoe fouten vermeden kunnen worden. |
|
||
|
|
|
De leerlingen |
|
11 |
|
zijn bereid zelf naar oplossingen te zoeken en durven leer- en studieproblemen signaleren en uitleg of hulp vragen. |
|
12 |
|
zijn bereid ordelijk, systematisch en regelmatig te werken. |
|
13 |
|
beseffen dat leren reeds in de klas begint en niet alleen thuis gebeurt. |
|
||
|
|
|
De leerlingen |
|
14 |
|
hebben inzicht in de algemene structuur van het secundair onderwijs. |
|
15 |
|
zijn bereid een onbevooroordeelde houding aan te nemen tegenover studierichtingen en beroepen. |
|
16 |
|
kunnen eenvoudige strategieën aanwenden voor het maken van een studiekeuze. |
|
17 |
|
tonen zich bereid om bij het kiezen van een studierichting rekening te houden met hun eigen (leer)mogelijkheden. |
II
Sociale vaardigheden.
1 De ontwikkeling van een voldoende ruim gamma van relatiewijzen |
||
|
|
|
De leerlingen kunnen |
|
1 |
|
zich als persoon present stellen: uitkomen voor een eigen mening en respect opeisen voor de eigen lichamelijke en seksuele ontwikkeling. |
|
2 |
|
respect en waardering voor anderen opbrengen: de eigenheid van medeleerlingen accepteren en waarderen. |
|
3 |
|
zich dienstvaardig tegenover anderen opstellen: het bijstaan van medeleerlingen bij schooltaken en schoolactiviteiten. |
|
4 |
|
om hulp vragen en dankbaarheid tonen in probleemsituaties. |
|
5 |
|
in groepsverband meewerken en een toegewezen opdracht uitvoeren. |
|
6 |
|
bij een opgegeven groepstaak verantwoordelijkheid dragen. |
|
7 |
|
op gepaste wijze kritiek uiten tegenover een ander tijdens een groepswerk. |
|
8 |
|
opkomen voor de eigen rechten en voor de rechten van anderen uit de groep. |
|
9 |
|
zich discreet opstellen in een gezelschap en ten aanzien van vertrouwelijke informatie. |
|
10 |
|
ongelijk of onmacht toegeven in een discussie of in een spelsituatie. |
|
11 |
|
het verschil herkennen tussen verbaal en niet-verbaal gedrag bij zichzelf en bij anderen in concrete groepssituaties. |
|
||
|
|
|
De leerlingen |
|
12 |
|
beheersen elementen van het communicatieve handelen: |
|
|
|
|
3 De deelname aan vormen van samenwerking en sociale organisatie |
||
3.1 De dialoog |
||
|
13 |
|
De leerlingen leggen contact met anderen binnen de groep en staan open voor contact met anderen buiten de groep. |
|
||
|
14 |
|
De leerlingen kunnen in een groepsdiscussie hun mening weergeven, handhaven en bijsturen. |
|
||
|
15 |
|
De leerlingen kunnen in een taakgroep aan een goede onderlinge verstandhouding meewerken. |
|
||
|
16 |
|
De leerlingen kunnen uit aangeboden informatie, leef- en omgangsgewoonten binnen gezinnen of culturen weergeven en hun eigen gedrag daartegenover verwoorden en bespreekbaar stellen. |
III
Opvoeden tot burgerzin
1 De klas en de school |
||
|
|
|
De leerlingen |
|
1 |
|
kunnen aan de hand van het schoolreglement hun rechten en plichten concreet illustreren. |
|
2 |
|
kennen de functies en verantwoordelijkheden van al wie bij de school betrokken is en kunnen gebruik maken van de middelen die er bestaan om hun vragen, problemen, ideeën of meningen kenbaar te maken. |
|
3 |
|
kunnen voor conflicten in de omgang met leeftijdgenoten oplossingen bedenken en zijn bereid om ze uit te voeren. |
|
4 |
|
zijn bereid zich in te zetten voor solidariteits- en andere acties in de klas of op school. |
|
5 |
|
kunnen op een verdraagzame manier omgaan met verschillen in sexe, huidskleur en etniciteit. |
|
||
|
|
|
De leerlingen |
|
6 |
|
kunnen verschillende gezinsvormen en gezinsculturen beschrijven en er begrip voor opbrengen. |
|
7 |
|
weten waar ze terecht kunnen bij problemen in hun eigen leefkring. |
|
8 |
|
kunnen zich een beeld vormen van het gedrag van mannen en vrouwen in de maatschappij in het algemeen en het gezin in het bijzonder en dit toetsen in de eigen leefkring. |
|
||
|
|
|
De leerlingen |
|
9 |
|
kunnen de invloed van de media op hun eigen denken en handelen illustreren en kennen de mogelijkheden van het gebruik ervan ten voordele van de eigen vorming. |
|
10 |
|
kunnen een kritische houding aannemen ten aanzien van allerlei vormen van berichtgeving. |
|
||
|
|
|
De leerlingen kunnen |
|
11 |
|
de basiselementen (verkiezingen, groeperingen, overleg en compromissen, meerderheid en oppositie) van het functioneren van ons democratisch bestel op een eenvoudige wijze uitleggen: |
|
|
|
|
|
12 |
|
met voorbeelden uitleggen hoe een overheid haar inkomsten verwerft en hoe zij die inkomsten aanwendt. |
|
13 |
|
illustreren dat elk beleid rekening moet houden met ideeën, standpunten en belangen van diverse betrokkenen. |
IV
Gezondheidseducatie.
1 Hygiëne |
||
|
|
|
De leerlingen |
|
1 |
|
kunnen het belang aantonen van lichaamshygiëne voor zichzelf en voor hun omgeving. |
|
||
|
|
|
De leerlingen |
|
2 |
|
kunnen aan de hand van een model een evenwichtige maaltijd samenstellen. |
|
3 |
|
zien in hoe het voedingsgedrag beïnvloed wordt door reclame en sociale omgeving. |
|
4 |
|
weten dat goede voedingsgewoonten de gezondheid bevorderen. |
|
||
|
|
|
De leerlingen |
|
5 |
|
weten dat het gebruik en misbruik van genots- en geneesmiddelen gevolgen heeft voor de eigen gezondheid, de gezondheid van anderen, de sport- en leerprestaties en de sociale relaties. |
|
6 |
|
kunnen geneesmiddelen op de juiste wijze gebruiken en hoeden zich voor zelfmedicatie. |
|
7 |
|
kunnen eigen standpunten tegenover roken, alcohol- en druggebruik formuleren. |
|
||
|
|
|
De leerlingen |
|
8 |
|
zien in dat hun gedrag invloed heeft op de eigen veiligheid en die van anderen. |
|
9 |
|
kunnen enkele veilige en onveilige situaties in hun eigen leefomgeving identificeren en kunnen voorbeelden geven van preventieve maatregelen. |
|
10 |
|
kennen het verkeersreglement en de veiligheidsvoorschriften voor voetgangers, (brom)fietsers, passagiers en kunnen ze toepassen. |
|
11 |
|
kunnen op een efficiënte manier hulp inroepen in een noodsituatie en zelf eerste hulp bieden bij kleine wonden. |
|
||
|
|
|
De leerlingen |
|
12 |
|
weten dat gevoelens in bepaalde omstandigheden aanleiding kunnen geven tot het gebruiken van genots- en/of geneesmiddelen. |
|
13 |
|
leren omgaan met sociaal-emotionele en lichamelijke veranderingen in de puberteit. |
|
||
|
|
|
De leerlingen |
|
14 |
|
kunnen een goede sta-, zit-, en tilhouding aannemen en geven enkele voorbeelden van mogelijke klachten die optreden bij verkeerde houdingen en bewegingen. |
|
15 |
|
zien het belang in van een evenwichtige tijdsbesteding van (school-)werk, rust, ontspanning, beweging en de invloed ervan op de lichaamsconditie. |
V Milieueducatie.
1 Lucht en water |
||
|
|
|
De leerlingen |
|
1 |
|
kunnen voorbeelden van lucht- of waterverontreiniging in de eigen leefomgeving aanwijzen. |
|
2 |
|
kunnen voorstellen formuleren om in de eigen leefomgeving de kwaliteit van lucht of water te behouden of te verbeteren. |
|
3 |
|
gaan zorgzaam om met lucht en water in de eigen leefomgeving. |
|
||
|
|
|
De leerlingen |
|
4 |
|
kunnen meewerken aan activiteiten die bijdragen tot het behoud of de verbetering van de natuurlijke verscheidenheid aan levende wezens in de eigen leefomgeving. |
|
5 |
|
illustreren hoe mensen uit verschillende culturen op verschillende wijzen met planten en dieren omgaan. |
|
6 |
|
gaan respectvol en zorgzaam om met planten en dieren. |
|
||
|
|
|
De leerlingen |
|
7 |
|
kunnen in de eigen leefomgeving aanwijzen op welke manier ruimtegebruik een invloed heeft op het milieu. |
|
8 |
|
zijn bereid om mee te ijveren voor natuurbescherming en het behoud van waardevolle landschappen. |
|
||
|
|
|
De leerlingen kunnen |
|
9 |
|
aard en hoeveelheid van afvalstoffen in de eigen leefomgeving beschrijven. |
|
10 |
|
voorbeelden geven van de manier waarop de eigen leefomgeving door voorkomen van afval en door hergebruik kan bijdragen tot de beperking van de afvalproduktie en passen dit toe. |
|
11 |
|
uitleggen op welke manier het afval in de eigen gemeente wordt verwerkt. |